woensdag 20 april 2016

Het woord cadans

Er is iets vreemd met de manier waarop men leest. Met de concentratie waarmee men toch nog over de dingen, over de woorden en zijn eigen zekerheden heen leest. Een kleine drie jaar geleden publiceerde ik de dichtbundel Tot het bestaat. Welhaast ontelbare keren moet ik, voorafgaand aan de publicatie, de 49 gedichten uit de bundel gelezen en herlezen, én herlezen hebben. Dat hoort niet alleen zo, dat is ook zo. Je laat de letters niet zomaar op de lezer los. Ook anderen hebben het typoscript gelezen. Pas gisteren, zoveel tijd, zoveel maanden en dagen later, ontdekte ik dat ik het woord “kadans” in de slotcyclus, tevens titelcyclus van Tot het bestaat met een k geschreven heb. Tot nu toe heeft daar nog nooit een arglistige woordhaan naar gekraaid. En eerlijk gezegd heb ik er zelf ook nooit bij stilgestaan dat het woord ‘kadansniet in vanDale staat. Je hoort immers cadans te schrijven als je kadans bedoelt. Toch een groot verschil, vind ik. Cadans lijkt immers in de verste verte niet op Kadans.

Maar dit geheel terzijde want ook nu weer onthou ik dat een mens die schrijft altijd op zijn hoede hoort te zijn. Dat met de meest intense zorg waarmee je elk woord tikt of schrijft “het bevragen van het woord zelf” nooit op de achtergrond mag raken. Al heb ik stellig, het is weliswaar een opendeur-gedachte, de indruk dat de sms-generatie en zelfs de nieuwste generatie snelsneljournalisten en scribenten de voetregels (staat ook niet in vanDale, nah) allang met plezier naast zich hebben neergelegd. Enfin, dit alles, om mezelf nog maar eventjes tussendoor op het hart te drukken dat een “simpel” woord als het woord “cadans” in staat blijft om een mens er op te wijzen dat ie niet behoedzaam genoeg kan zijn in het leven. Ook én vooral met woorden!

Niettemin hieronder nog ’s het gedicht Tot het bestaat/2. Met daarin dus het fout gespelde woord “kadans”. Als het met de cadans nu maar goed loopt…


Tot het bestaat (2)


Uit niets dan klank zal jouw stem bestaan.
Kadans! Kadans! Fijngetuned het timbre
dat zoekt en taalt naar wat jou dierbaar is.
Een blik die zich op de wereld richt.

Het beeld dat in de steen verborgen zit.
Het verlangen naar de verte in een mens.
De laatste woorden van het gedicht.
(Woorden als brood, en bloed, en bloem.)

Middenin een tijd die zichzelf verbeeldt.
Middenin een hart dat weet dat het enkel
de schoonheid is, de schitterende zwalpende,
wanhopig makende schoonheid is

waaraan wij schatplichtig zijn.


© Paul Rigolle


(P.R. - Blauwe notities - De man met de leesbril - woensdag 20 april 2016)


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen