Posts tonen met het label Het heimwee van de bladen naar het boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Het heimwee van de bladen naar het boek. Alle posts tonen

zaterdag 18 april 2020

Als iets dat vanbinnen brandt

Voor de mensen van Calais en elders

(Dagboekgedicht op Wereldvluchtelingendag, 20/6/2019)


Als iemand die op een dag zijn dorp verlaat,
zo zul je opgetekend in de boeken staan.
Als iemand die. Als van een ander dat. Je bent
een vreemde nog. Je tracht en leeft je in,
ademt in, ademt uit. De taal loopt nog mank
in jou. Je zoekt wat hoogte in de toon. Hoe
iemand spreekt die wordt opgejaagd. Wijd open,
slag na val, into the wild, maisveld, het wild

zover je kijkt. Bedding van het spoor. Slaapzak.
Station. Parking. Bordkarton. Over schutting kruipt.
Met wat geluk ontloop je hem de nieuwe bedelstaf.
Rusteloos op weg en wie weet waarheen.
Het jaagpad, de spoorweg langs. De blote hemel
kent geen geheim voor jou. Niet weet wat komt.
Bekeken wordt alsof je zelf een dader bent.
Ergens ingenaaid van wat van jouw bezit nog rest.

Ze peilen en stellen vast bij jou of daar een hart
nog zit. Maar iets, iets dat vanbinnen brandt
blijft vuur. Een roep als een roffel in jouw borst,
is daar het eerste woord dat van een vreemde taal
te pronken en te kijken staat. Het drukt zich uit,
het laat zich horen. Op jouw stem draagt het
zichzelf de wereld in. Klinken doet het al alsof het
op een dag jouw nieuwste naam zal zijn.


© Paul Rigolle


Uit 'Het heimwee van de bladen naar het boek', een cyclus Dagboekgedichten.

Gepubliceerd op 18/4/2020 op 'De Schaal van Digther'

Za 7/3/2020 - Parking Autostrade - Ergens tussen Oostende en Koksijde



















Zo 5/1/2020: tgv Les Abeilles de l'invisible - Mac'S Grand Hornu

















Notitie:
Dit was een van de vier gedichten van Paul Rigolle dat doordrong tot
de Top 1000 van de Gedichtenwedstrijd Editie 11 van 2019.

Commentaar van de jury daarop:
Je schreef een krachtige en beklijvende aanklacht tegen de mensonterende situatie in het vluchtelingenkamp van Calais. Hoogtepunt zijn de sterke beelden als 'de taal loopt nog mank / in jou' en 'een roep als een roffel in jouw borst'. De zuinige taal van de tweede strofe is ook bijzonder gepast om vorm te geven aan de ervaring van een mens op de vlucht. Sterk werk!



vrijdag 17 april 2020

November in Banana Peel

De plaatsen die een mens in 'afgesloten' Corona-tijden het meeste mist? Er zijn er veel! Hoog in het lijstje staat bij mij zeker en vast de Banana Peel BLUES&Jazz -club in "het Ruiselede van al mijn plaatsen". Van het Dorp naar de Wereld, het is er altijd maar een hele kleine stap. Kleinschalig maar mét internationale allure! Zo kennen we - het lijkt al wel eeuwen - onze geliefde Blues- en Jazz-schuur.

Geen wonder dat in mijn cyclus dagboekgedichten 'Het heimwee van de bladen naar het boek' ook een warme Banana Peel-hommage steekt. "November in Banana Peel".

En ik hoop zeer dat het niet nog tot in het najaar duurt vooraleer de muzikale Banana Peel-afspraakjes op maandag weer volop kunnen doorgaan!


Het gedicht met een aantal verwijzingen en een bijhorende foto lees je hier:

https://digther.blogspot.com/2020/04/november-in-banana-peel-paul-rigolle.html







donderdag 16 april 2020

Het heimwee van de bladen naar het boek

Ik ben al een tijdje een typoscript met nieuwe gedichten aan het samenstellen en zoals dat met typoscripten gaat, vis ik daarin ook een aantal "Dingen van vroeger" en "Liedjes voor later" op.

In een cyclus die "Het heimwee van de bladen naar het boek" als titel draagt, steken ook een aantal dagboekgedichten. Onderstaand gedicht, dat vandaag ook verschenen is op 'De Schaal van Digther' is er een dat terugggrijpt naar het gezegende jaar 2000. Eentje dat ik graag opdraag aan mijn zoon Jasper Rigole die in dat jaar een ingangsfilm maakte waaraan ik een kleine bijdrage mocht leveren. De foto dateert dan weer van een film van drie jaar later.

Alles voor de film

“Ik herinner me dat ik een camera kocht waarin een onontwikkelde film zat”


Dagboekgedicht (vr 29/12/2000 - voor Jasper)

We spreken af. Terwijl ik met de dingen sleur
klimt hij de ladders op, timmert een hemel bij elkaar
en hangt er lampen in. Ik breng de wierook aan,
vrouwentongen, een kast uit eik en een gitaar.
Een gordijn vol bloemen hang ik voor het raam
en werp - alles voor de film! - zoveel ik dragen kan,

het nepfruit in de schaal. Een meisjeskamer
in een naamloos huis, dit is, zegt hij, wat hem
voor ogen staat. Daarin een man, daarin een vrouw.
En of het - muziek van misverstanden - tussen hen,
ooit iets worden kan, dat ziet hij later wel.
Nu is er, ingescheept en wel, gekunsteld
en geklaard, het licht dat op alles vallen moet.

Ik glimlach om de verbazing die openbloeit
op zijn gezicht en die ik herken van toen hij nog
een jongen was en wij samen keken naar de zee.
In één avond maakt het kunstlicht ons - een vader
en een zoon - als in een happy-end aan elkaar gelijk.


© Paul Rigolle


Uit de cyclus dagboekgedichten: "Het heimwee van de bladen naar het boek"